Concerten
8
 
Knipscheer-orgel
 
 
 
Programma
 

Middagconcert

Zondag 17 maart 2013 
15.00 uur

Marcel Zijlstra Chronista
Simon Paul Christus
Sjef van Leunen Synagoge


Cappella Tenebrae
o.l.v. Rens Tienstra

Wilma Pistorius, cello

 

Toegang € 15,-
(Vrienden mogen bij dit concert gratis een introducé(e) meeneme
n

Kaarten in voorverkoop via Boekhandel van der Meer (Vuurtorenplein) en via deze site


PROGRAMMA

Passie: Johannes 18; 19:1-37   |  Evangelielezing: Johannes 19:38-42

Nederlandse vertaling: naar Willibrordvertaling en Nieuwe Bijbelvertaling

 

 

Chronista. Passio Domini nostri Jesu Christi secundum Joannem.

Passie van Onze Heer Jezus Christus volgens Johannes.

In illo tempore:

Egressus est Jesus cum discipulis suis trans torrentem Cedron, ubi erat hortus, in quem introivit ipse, et discipuli ejus.

In die tijd:

Jezus ging met zijn leerlingen naar de overkant van de Kidronbeek. Daar lag een tuin, waar Hij met zijn leerlingen binnenging.

Sciebat autem et Judas, qui tradebat eum, locum: quia frequenter Jesus convenerat illuc cum discipulis suis.

Ook Judas, die Hem ging overleveren, kende de plaats, want Jezus was er vaak met zijn leerlingen samengekomen.

Judas ergo cum accepisset cohortem, et a pontificibus et Pharisæis ministros, venit illuc cum laternis, et facibus, et armis.

Zo kwam Judas erheen met de cohort en een aantal gerechtsdienaren van de hogepriesters en farizeeën, voorzien van fakkels, lantaarns en wapens.

Jesus itaque sciens omnia, quæ ventura erant super eum processit, et dixit eis:

Jezus, die alles wist wat Hem zou overkomen, trad naar voren en vroeg hen:

† (Christus).           Quem quæritis?

‘Wie zoekt U?’

Chronista.              Responderunt ei:

Ze antwoordden:

Synagoge.               Jesum Nazarenum.

‘Jezus, de Nazoreeër.’

C.                   Dicit eis Jesus:

Jezus zei tot hen:

†.                   Ego sum.

‘Ik ben het.’

C.                   Stabat autem et Judas, qui tradebat eum, cum ipsis. Ut ergo dixit eis: Ego sum:  Abierunt retrorsum, et ceciderunt in terram. Iterum ergo interrogavit eos:

terwijl Judas, die Hem overleverde, erbij stond. Nauwelijks had Hij gezegd: ‘Ik ben het’,  of ze deinsden achteruit en vielen op de grond. Nogmaals stelde Hij hun de vraag:

†.                   Quem quæritis?

‘Wie zoekt U?’

C.                   Illi autem dixerunt:

Ze zeiden tot hem:

S.                    Jesum Nazarenum.

‘Jezus, de Nazoreeër’.

C.                   Respondit Jesus:

Jezus antwoordde:

†.                   Dixi vobis, quia ego sum: si ergo me quæritis, sinite hos
                          abire.

‘Ik zei u al: Ik ben het. Als Ik de man ben die u zoekt, laat hen dan gaan.’

C.                   Ut impleretur sermo, quem dixit: quia quos dedisti mihi, non perdidi ex eis quemquam. Simon ergo Petrus habens gladium eduxit eum: et percussit pontificis servum: et abscidit auriculam ejus dexteram. Erat autem nomen servo Malchus. Dixit ergo Jesus Petro:

Zo zou het woord in vervulling gaan dat Hij gesproken had: ‘Van hen die U Mij hebt toevertrouwd, heb Ik niemand verloren laten gaan.’ Daarop trok Simon Petrus het zwaard dat hij bij zich had, raakte de knecht van de hogepriester en sloeg hem het rechteroor af. De knecht heette Malchus. Maar Jezus zei tegen Petrus:

†.                   Mitte gladium in vaginam. Calicem, quem dedit mihi Pater,  
                       
non bibam illum?

‘Steek dat zwaard in de schede. Zou Ik de beker niet drinken die de Vader Mij gegeven heeft?’

C.                   Cohors ergo, et tribunus, et ministri Judæorum
                       comprehenderunt Jesum, et ligaverunt eum.

 

Et adduxerunt eum ad Annam primum; erat enim socer Caiphæ, qui erat pontifex anni illius. Erat autem Caiphas, qui consilium dederat Judæis: Quia expedit unum hominem mori pro populo. Sequebatur autem Jesum Simon Petrus, et alius discipulus. Discipulus autem ille erat notus pontifici, et introivit cum Jesu in atrium pontificis.

 

 
Petrus autem stabat ad ostium foris. Exivit ergo discipulus alius, qui erat notus pontifici, et dixit ostiariæ: et introduxit Petrum. Dicit ergo Petro ancilla ostiaria:

Toen grepen de cohort met haar tribunus en de Joodse gerechtsdienaren Jezus vast en boeiden Hem.

 

Ze brachten Hem eerst naar Annas. Hij was de schoonvader van Kajafas, die dat jaar hogepriester was, dezelfde Kajafas die de Joden de raad had gegeven: u hebt er alle belang bij dat één mens sterft voor het volk. Nu waren Simon Petrus en nog een andere leerling Jezus gevolgd. Deze leerling was een kennis van de hogepriester en ging tegelijk met Jezus het paleis van de hogepriester binnen.

 

Petrus was buiten aan de poort blijven staan; daarom ging de andere leerling, de kennis van de hogepriester, met de portierster praten en bracht toen Petrus naar binnen. Het meisje aan de poort zei tegen Petrus:

S.                    Numquid et tu ex discipulis es hominis istius?

‘Bent u ook niet een van de leerlingen van die man?’

C.                   Dicit ille:

Hij zei:

S.                    Non sum.

‘Dat ben ik niet.’

 

C.                   Stabant autem servi, et ministri ad prunas: quia frigus erat, et calefiebant se: erat autem cum eis et Petrus stans, et calefaciens se. Pontifex ergo interrogavit Jesum de discipulis suis, et de doctrina ejus. Respondit ei Jesus:

 

De knechten en de gerechtsdienaren stonden zich te warmen bij een houtskoolvuur dat ze hadden aangelegd omdat het zo koud was. Ook Petrus stond zich bij hen te warmen. De hogepriester ondervroeg Jezus over zijn leerlingen en zijn leer. Jezus antwoordde hem:

†.                   Ego palam locutus sum mundo: ego semper docui in synagoga, et in templo, quo omnes Judæi conveniunt: et in occulto locutus sum nihil. Quid me interrogas? interroga eos, qui audierunt quid locutus sim ipsis: ecce hi sciunt quæ dixerim ego.

‘Ik heb openlijk, voor de hele wereld, gezegd wat Ik te zeggen had; Ik heb altijd onderricht gegeven waar alle Joden samenkomen: in een synagoge of in de tempel; nooit had Ik iets in het geheim te zeggen. Waarom ondervraagt u Mij? Ondervraag degenen die gehoord hebben wat Ik te zeggen had: die weten heel goed wat Ik gezegd heb.’

C.                   Hæc autem cum dixisset, unus assistens ministrorum
                       dedit alapam Jesu, dicens:

Op dit woord gaf een van de dienaren, die erbij stond, Jezus een klap in het gezicht en zei:

S.                    Sic respondes pontifici?

‘Is dat de manier waarop je de hogepriester antwoord geeft?’

C.                   Respondit ei Jesus:

Waarop Jezus tot hem zei:

†.                   Si male locutus sum, testimonium perhibe de malo:
                       si autem bene, quid me cædis?

‘Als Ik iets verkeerd gezegd heb, toon dan aan wat er verkeerd aan was; maar als het ter zake was, waarom slaat u Me dan?’





C.
            Et misit eum Annas ligatum ad Caipham pontificem. Erat
                 autem Simon Petrus stans et calefaciens se. Dixerunt ergo ei:





Toen stuurde Annas Hem geboeid naar de hogepriester Kajafas. Terwijl Simon Petrus zich stond te warmen, vroeg men hem:

S.                    Numquid et tu ex discipulis ejus es?

‘Bent u soms ook een van zijn leerlingen?’

C.                   Negavit ille, et dixit:

Hij ontkende het, en zei:

S.                    Non sum.

‘Dat ben ik niet.’

C.                   Dicit ei unus ex servis pontificis, cognatus ejus, cujus
                       abscidit Petrus auriculam:

Toen zei een van de knechten van de hogepriester, een bloedverwant van de man bij wie Petrus een oor had afgeslagen:

S.                    Nonne ego te vidi in horto cum illo?

‘Ik heb u toch bij Hem in de tuin gezien?’

C.                   Iterum ergo negavit Petrus: et statim gallus cantavit.

Opnieuw ontkende Petrus het, en op hetzelfde ogenblik kraaide er een haan.

 

Kieran Klaassen (Nederland, 1989) – XLIV ≠ † (44 is niet heilig)

“De 44 maten van dit stuk zijn op geen enkele manier gevormd vanuit een objectief systeem, maar gebaseerd op louter zang.”

 

 

Omnes amici mei

(Responsorium I ad Matutinum, Feria VI. in Parasceve)

Omnes amici mei dereliquerunt me,
et preavaluerunt insidiantes mihi:

tradidit me quem diligebam:
Et terribilibus oculis plaga crudeli percutientes, aceto potabant me.

V. Inter iniquos projecerunt me,
       et non pepercerunt animae meae.

 

 

 

 

Omnes amici mei

(Responsorium I in de Metten van Goede Vrijdag)

 Al mijn vrienden hebben mij verlaten en zij die voor mij op de loer lagen hebben mij overmeesterd; hij, die ik liefhad, heeft mij verraden.

Met verschrikkelijke blikken hebben zij mij wreed geslagen, en gaven mij azijn te drinken.

 V. Zij verstootten mij onder verdorvenen
      
en hebben mijn leven niet ontzien.

 

 

C.                   Adducunt ergo Jesum a Caipha in prætorium. Erat autem
                        mane: et ipsi non introierunt in prætorium, ut non
                        contaminarentur, sed ut manducarent Pascha. Exivit ergo
                         Pilatus ad eos foras, et dixit:

Men bracht Jezus toen van Kajafas naar het pretorium. Het was vroeg in de ochtend. De Joden gingen het pretorium niet binnen, om geen onreinheid op te lopen en het paaslam te kunnen eten. Daarom kwam Pilatus naar buiten en vroeg:

S.                    Quam accusationem affertis adversus hominem hunc?

‘Welke aanklacht brengt u tegen deze man in?’

C.                   Responderunt et dixerunt ei:

Ze gaven hem ten antwoord:

S.                    Si non esset hic malefactor, non tibi otradidissemus eum.

‘Als Hij geen misdadiger was, zouden we Hem niet aan u hebben overgeleverd!’

C.                   Dixit ergo eis Pilatus:

Daarop zei Pilatus:

S.                    Accipite eum vos, et secundum legem vestram judicate
                       eum.

‘Dan moet u Hem zelf maar volgens uw wet berechten.’

C.                   Dixerunt ergo ei Judæi:

De Joden antwoordden:

S.                    Nobis non licet interficere quemquam.

‘Wij hebben het recht niet om iemand ter dood te brengen.’

C.                   Ut sermo Jesu impleretur, quem dixit, significans qua
                        morte esset moriturus. Introivit ergo iterum in prætorium
                       Pilatus et vocavit Jesum, et dixit ei:

Zo zou het woord van Jezus in vervulling gaan waarmee Hij had aangekondigd op welke manier Hij zou sterven. Toen ging Pilatus het pretorium weer binnen, riep Jezus bij zich en vroeg hem:

S.                    Tu es rex Iudæorum?

‘Bent U de koning van de Joden?’

C.                   Respondit Jesus:

Jezus antwoordde:

†.                   A temet ipso hoc dicis, an alii dixerunt tibi de me?

‘Bent u daar zelf op gekomen of hebben anderen u over Mij verteld?’

C.                   Respondit Pilatus:

Pilatus antwoordde:

S.                    Numquid ego Judæus sum? Gens tua et pontifices
                        tradiderunt te mihi: quid fecisti?

‘Ben ik soms een Jood? Uw eigen volk, uw hogepriesters, hebben U aan mij overgeleverd. Wat hebt U gedaan?’

C.                   Respondit Jesus:

Jezus antwoordde:

†.                   Regnum meum non est de mundo. Si ex hoc mundo esset
                       regnum meum, ministri mei utique decertarent, ut non
                       traderer Judæis: nunc autem regnum meum non est hinc.

‘Mijn koningschap is niet van deze wereld. Als mijn koningschap van deze wereld was, zouden mijn dienaars er wel voor gevochten hebben dat Ik niet aan de Joden werd overgeleverd. Mijn koningschap is echter niet van deze wereld.’

C.                   Dixit itaque ei Pilatus:

Daarop zei Pilatus tot hem:

S.                    Ergo rex es tu?

‘U bent dus toch koning?’

C.                   Respondit Jesus:

Jezus antwoordde:

†.                   Tu dicis quia rex sum ego. Ego in hoc natus sum, et ad hoc
                       veni in mundum, ut testimonium perhibeam veritati:
                       omnis, qui est ex veritate, audit vocem meam.

‘U zegt dat ik koning ben. Ik ben geboren en naar de wereld gekomen om van de waarheid te getuigen, en ieder die de waarheid is toegedaan, luistert naar wat ik zeg.’

C.                   Dicit ei Pilatus:

Pilatus zei tot hem:

S.                    Quid est veritas?

‘Wat is waarheid?’

 

C.                   Et cum hoc dixisset, iterum exivit ad Judæos, et dicit eis:

 

Na deze woorden kwam hij weer naar buiten en zei tegen de Joden:

S.                    Ego nullam invenio in eo causam. Est autem consuetudo     
                        
vobis ut unum dimittam vobis in Pascha: vultis ergo
                         dimittam vobis regem Judæorum?

‘Ik acht Hem volstrekt onschuldig. Maar u bent gewend dat ik ter gelegenheid van het paasfeest iemand vrijlaat. Zal Ik dus de koning van de Joden vrijlaten?’

C.                   Clamaverunt ergo rursum omnes, dicentes:

Toen begon iedereen te schreeuwen, zeggende:

S.                    Non hunc, sed Barabbam.

‘Nee, Hem niet, maar Barabbas!’

C.                   Erat autem Barabbas latro. Tunc ergo apprehendit Pilatus
                        Jesum, et flagellavit. Et milites plectentes coronam de       
                       
spinis, imposuerunt capiti ejus: et veste purpurea
                        circumdederunt eum. Et veniebant ad eum, et dicebant:

Barabbas was een misdadiger. Toen liet Pilatus Jezus geselen. De
soldaten vlochten een kroon van doorntakken, zetten die op zijn hoofd en deden hem een purperen mantel aan. Ze liepen naar hem toe en zeiden:

S.                    Ave, Rex Iudæorum.

‘Leve de koning van de Joden!’

C.                   Et dabant ei alapas. Exivit ergo iterum Pilatus foras,
                       et dicit eis:

en ze sloegen hem in het gezicht. liep weer naar buiten en zei tot hen:

S.                    Ecce adduco vobis eum foras, ut cognoscatis, quia nullam
                         invenio in eo causam.

‘Luister, ik laat Hem naar buiten brengen om u duidelijk te maken dat ik Hem volstrekt onschuldig acht.’

C.                   (Exivit ergo Jesus portans coronam spineam et purpureum
                        vestimentum.) Et dicit eis:

(Daarop kwam Jezus naar buiten, met de doornenkroon op en de purperen mantel aan.) Hij zei tot hen:

S.                    Ecce homo.

‘Hier is hij, de mens.’

 

Elizabeth A. Kelly (Verenigde Staten, 1982) – Bacchanale

Bacchanale is a waltz of love and loss in the vineyard inspired by the text and chant melody of Vinea Mea.”

 

 Vinea mea electa

(Responsorium III ad Matutinum, Feria VI. in Parasceve)

 Vinea mea electa,
ego te plantavi:
Quomodo conversa es in amaritudinem,
ut me crucifigeres,
et Barabbam dimitteres.

V. Sepivi te, et lapides elegi ex te,
et aedificavi turrim.

 

 

 

 Vinea mea electa

(Responsorium III in de Metten van Goede Vrijdag)

 Mijn uitverkoren wijngaard,
die ik geplant heb,
hoe is uw zoetheid bitter geworden,
dat gij mij kruisigt
en Barabbas vrijlaat?

 V. Ik maakte een muur om u heen, zuiverde u van stenen
en bouwde een toren.

 

 

C.                   Cum ergo vidissent eum pontifices et ministri, clamabant,
                       dicentes:

Zodra ze Hem zagen begonnen de hogepriesters en hun dienaren te schreeuwen:

S.                    Crucifige, crucifige eum.

‘Kruisig hem, kruisig hem!’

C.                   Dicit eis Pilatus:

Pilatus zei tot hen:

S.                    Accipite eum vos, et crucifigite: ego enim non invenio in eo
                        causam.

‘Neem hem dan maar mee en kruisig hem zelf, want ik zie niet waaraan hij schuldig is.’

C.                   Responderunt ei Iudæi:

De Joden antwoordden hem:

S.                    Nos legem habemus, et secundum legem debet mori, quia
                        Filium Dei se fecit.

‘Wij hebben een wet die zegt dat hij moet sterven, omdat hij zich de Zoon van God heeft genoemd.’

C.                   Cum ergo audisset Pilatus hunc sermonem, magis timuit.
                        Et ingressus est prætorium iterum: et dixit ad Jesum:

Toen Pilatus dat hoorde werd hij erg bang. Hij ging het pretorium weer in en vroeg aan Jezus:

S.                    Unde es tu?

‘Waar komt u vandaan?’

C.                   Jesus autem responsum non dedit ei. Dicit ergo ei Pilatus:

Maar Jezus gaf geen antwoord. Daarop vroeg Pilatus:

S.                    Mihi non loqueris? nescis quia potestatem habeo
                        crucifigere te, et potestatem habeo dimittere te?

‘Waarom zegt u niets tegen mij? Weet u dan niet dat ik de macht heb om u vrij te laten of u te kruisigen?’

C.                   Respondit Jesus:

Jezus antwoordde:

†.                   Non haberes potestatem adversum me ullam, nisi tibi datum esset desuper. Propterea, qui me tradidit tibi majus peccatum habet.

‘De enige macht die u over mij hebt, is u van boven gegeven. Daarom draagt degene die mij aan u uitgeleverd heeft de meeste schuld.’

C.                   Et exinde quærebat Pilatus dimittere eum.
                       Judæi autem clamabant, dicentes:

Vanaf dat moment wilde Pilatus hem vrijlaten.
Maar de Joden riepen:

S.                    Si hunc dimittis, non es amicus Cæsaris. Omnis enim, qui
                        se regem facit, contradicit Cæsari.

‘Als u die man vrijlaat bent u geen vriend van de keizer, want iedereen die zichzelf tot koning uitroept pleegt verzet tegen de keizer.’

C.                   Pilatus ergo cum audisset hos sermones, adduxit foras Jesum, et sedit pro tribunali, in locum, qui dicitur Lithostrotos, hebraice autem Gabbatha. Erat autem Parasceve Paschæ, hora quasi sexta, et dicit Judæis:

Pilatus hoorde dat, liet Jezus naar buiten brengen en nam plaats op de rechterstoel op het zogeheten Mozaïekterras, in het Hebreeuws Gabbata. Het was rond het middaguur op de voorbereidingsdag van Pesach. Pilatus zei tegen de Joden:

S.                    Ecce rex vester.

‘Hier is hij, uw koning.’

C.                   Illi autem clamabant:

Meteen schreeuwden ze:

S.                    Tolle, tolle, crucifige eum.

Weg met hem, weg met hem, aan het kruis met hem!’

C.                   Dicit eis Pilatus:

Pilatus vroeg hen:

S.                    Regem vestrum crucifigam?

‘Moet ik uw koning kruisigen?’

C.                   Responderunt pontifices:

De hogepriesters antwoordden:

S.                    Non habemus regem, nisi Cæsarem.

‘Wij hebben geen andere koning dan de keizer!’

C.                   Tunc ergo tradidit eis illum ut crucifigeretur. Susceperunt autem Jesum, et eduxerunt. Et bajulans sibi crucem, exivit in eum, qui dicitur Calvariæ, locum, hebraice autem Golgotha: ubi crucifixerunt eum, et cum eo alios duos, hinc et hinc, medium autem Jesum.

 

Toen droeg Pilatus hem aan hen over om hem te laten kruisigen. Zij voerden Jezus weg; Hij droeg zelf het kruis en ging de stad uit, naar het zogeheten Schedelveld, in het Hebreeuws Golgotha. Daar werd Hij gekruisigd en met Hem twee anderen, aan weerskanten één, en Jezus in het midden.

 

 Danai Bletsa (Griekenland, 1988) – Monogram

 

 Popule Meus

(Improperia de Feria VI. In Passione Domini)

 Popule meus, quid feci tibi ?
aut in quo contristavi te ?
responde mihi.

 Quia eduxi te de terra Ægypti:
parasti Crucem: Salvatori tuo.

 Agios o Theos. Sanctus Deus.

Agios ischyros. Sanctus fortis.

Agios athanatos, eleïson imas.

Sanctus immortalis, miserere nobis.

 

Popule meus, quid feci tibi ?
aut in quo contristavi te ?
responde mihi.

 

 

 

 Popule Meus (selectie)

(uit de Improperia van Goede Vrijdag)

 Mijn volk, wat heb Ik u gedaan?
of waarmee heb Ik u bedroefd?
Antwoord Mij.

 Omdat Ik u uit het land van Egypte heb gevoerd:
hebt gij voor uw Verlosser een Kruis bereid.

 Heilige God (Gr.); Heilige God (Lat.).

Heilige Sterke (Gr.); Heilige Sterke (Lat.).

Heilige Onsterfelijke, ontferm U over ons. (Gr.)

Heilige Onsterfelijke, ontferm U over ons. (Lat.)

 

Mijn volk, wat heb Ik u gedaan?
of waarmee heb Ik u bedroefd?
Antwoord Mij.

 

 

C.                   Scripsit autem et titulum Pilatus: et posuit super crucem. Erat autem scriptum: Jesus Nazarenus, Rex Judæorum. Hunc ergo titulum multi Judæorum legerunt, quia prope civitatem erat locus, ubi crucifixus est Jesus. Et erat scriptum hebraice, græce, et latine. Dicebant ergo Pilato pontifices Judæorum:

Op het bord dat op het kruis werd aangebracht, had Pilatus laten schrijven: ‘Jezus, de Nazoreeër, koning van de Joden.’ Dit opschrift kregen heel wat Joden te lezen, want de plaats waar Jezus gekruisigd was, lag dichtbij de stad; en het stond er in het Hebreeuws, in het Latijn en in het Grieks. De Joodse hogepriesters zeiden tegen Pilatus:

S.                    Noli scribere, Rex Judæorum, sed quia ipse dixit: Rex sum Judæorum.

‘U moet niet schrijven: “Koning van de Joden”, maar dat Hij gezegd heeft: “Ik ben de koning van de Joden.” ’

C.                   Respondit Pilatus:

Pilatus antwoordde hun:

S.                    Quod scripsi, scripsi.

‘Wat ik geschreven heb, blijft geschreven.’

C.                   Milites ergo cum crucifixissent eum, acceperunt vestimenta ejus et fecerunt quatuor partes: unicuique militi partem, et tunicam. Erat autem tunica inconsutilis, desuper contexta per totum. Dixerunt ergo ad invicem:

Toen de soldaten Jezus hadden gekruisigd, verdeelden ze zijn kleren in vieren, voor iedere soldaat een deel. Maar er was ook nog de lijfrok: die was naadloos, van bovenaf uit één stuk geweven. Daarom zeiden ze tegen elkaar:

S.                    Non scindamus eam, sed sortiamur de illa cujus sit.

‘Die mogen we niet stukscheuren; laten we hem liever onder elkaar verloten.’

C.                   Ut scriptura impleretur, dicens: Partiti sunt vestimenta mea sibi: et in vestem meam miserunt sortem. Et milites quidem hæc fecerunt.

Zo ging in vervulling wat de Schrift zegt: ‘Ze verdeelden mijn kleren onder elkaar en wierpen het lot om mijn mantel.’ Dat is wat de soldaten deden.

 

Rens Tienstra (Nederland, 1988) – Sub voce

 Sub voce: ‘onder de stem, onder het woord’. Geïnspireerd door de gregoriaanse tractussen:

lange, uitgebreide gezangen, die zich maximaal uitdrukken met een minimum van muzikale middelen.”

 

 Deus, deus meus

(Tractus de Dominica in Palmis)

Deus, deus meus, respice in me: quare me dereliquisti?

V. Longe a salute mea verba delictorum meorum.

V. Deus meus clamabo per diem, nec exaudies:
in nocte, et non ad insipientiam mihi.

V. Ipso consideraverunt, et conspexerunt me: diviserunt sibi vestimenta mea, et super vestem meam miserunt sortem.

V. Libera me de ore leonis: et a cornibus unicornuorum humilitatem meam.

 

 

 

 Deus, deus meus

(Tractus uit de Mis van Palmzondag, selectie)

 Mijn God, mijn God, waarom hebt u mij verlaten?

V. U blijft ver weg en redt mij niet, ook al schreeuw ik het uit.

V. ‘Mijn God!’ roep ik overdag, en u antwoordt niet, ’s nachts, en ik vind geen rust.

V. Zij verdelen mijn kleren onder elkaar en werpen het lot om mijn mantel.

V. Red mij uit de muil van de leeuw, bescherm mij tegen de horens van de wilde stier. U geeft mij antwoord.

 

 

C.                   Stabant autem juxta crucem Jesu mater ejus, et soror matris ejus Maria Cleophæ, et Maria Magdalene. Cum vidisset ergo Jesus matrem, et discipulum stantem, quem diligebat, dicit matri suæ:

Intussen stonden bij het kruis van Jezus zijn moeder, de zuster van zijn moeder, Maria de vrouw van Klopas, en Maria van Magdala. Jezus zag zijn moeder, en bij haar de leerling van wie Hij hield. Toen zei Hij tegen zijn moeder:

†.                   Mulier, ecce filius tuus.

‘Vrouw, daar is je zoon.’

C.                   Deinde dicit discipulo:

Vervolgens zei Hij tegen de leerling:

†.                   Ecce mater tua.

‘Daar is je moeder.’

C.                   Et ex illa hora accepit eam discipulus in sua. Postea sciens Jesus quia omnia consummata sunt, ut consummaretur Scriptura, dixit:

Toen, van dat uur af, nam de leerling haar bij zich in huis op. Toen wist Jezus dat alles was volbracht, en om de Schrift geheel in vervulling te laten gaan zei hij:

†.                   Sitio.

‘Ik heb dorst.’





C.
                   Vas ergo erat positum aceto plenum. Illi autem spongiam plenam aceto, hysopo circumponentes, obtulerunt ori ejus. Cum ergo accepisset Jesus acetum, dixit:





Er stond daar een kruik met zure wijn. Ze doopten er een spons in, staken die op een hysopstengel en brachten die aan zijn mond. Toen Jezus van die wijn gedronken had, zei Hij:

†.                   Consummatum est.

‘Het is volbracht.’

C.                   Et inclinato capite, tradidit spiritum.

Daarop boog Hij het hoofd en gaf Hij de geest.

 

STILTE

 

Emil Tan Erten (Turkije, 1990) – Sempre Legato

“"After a point the compositional process echoes the umbilical cord between birthgiver and fetus.

The paternal role, then, gets adopted by / shared between the listener and performer.”

 

Ecce quomodo moritur iustus

(Responsorium VI ad Matutinum, Sabbato Sancto)

 

Ecce quomodo moritur iustus, et nemo percipit corde: et viri iusti tolluntur, et nemo considerat:


a facie iniquitatis sublatus est iustus:
et erit in pace memoria eius.

 
V. Tamquam agnus coram tondente se obmutuit, et non aperuit os suum: de angustia, et de iudicio sublatus est.

 

 

 

Ecce quomodo moritur iustus

(Responsorium VI in de Metten van Stille Zaterdag)

 

Ziet hoe de rechtvaardige sterft, en niemand neemt het ter harte; de rechtvaardigen worden weggerukt, en niemand slaat er acht op. Voor het aangezicht van het kwaad werd de rechtvaardige gedood.

Maar men zal aan hem denken in vrede.

 

V. Zoals een lam voor zijn scheerder was hij stil; hij opende niet zijn mond; uit de angst en berechting werd hij weggenomen.

 

 

C.                   Judæi ergo, quoniam parasceve erat, ut non remanerent in cruce corpora sabbato, erat enim magnus dies ille sabbati, rogaverunt Pilatum ut, frangerentur eorum crura, et tollerentur. Venerunt ergo milites: et primi quidem fregerunt crura, et alterius qui crucifixus est cum eo.

 

Ad Jesum autem cum venissent, ut viderunt eum jam mortuum, non fregerunt ejus crura, sed unus militum lancea latus ejus aperuit, et continuo exivit sanguis, et aqua.

Omdat het voorbereidingsdag was en de Joden niet wilden dat er op sabbat lijken aan het kruis zouden hangen – het was nog wel een heel bijzondere sabbat – vroegen ze aan Pilatus of men hun de benen mocht breken en hen weghalen. Daarop kwamen de soldaten de benen breken van zowel de eerste als de tweede die met Hem gekruisigd was.

 

Maar toen ze bij Jezus kwamen en zagen dat Hij al dood was, braken ze zijn benen niet. Wel doorstak een van de soldaten met een lans zijn zijde, en meteen kwam er bloed uit en water.

Et qui vidit, testimonium perhibuit: et verum est testimonium ejus. Et ille scit, quia vera dicit: ut et vos credatis. Facta sunt enim hæc ut Scriptura impleretur: Os non comminuetis ex eo. Et iterum alia Scriptura dicit: Videbunt in quem transfixerunt.

 

Hiervan getuigt iemand die het gezien heeft – zijn getuigenis is betrouwbaar en hij is er zeker van dat hij de waarheid spreekt – opdat ook u zult geloven. Zo ging de Schrift in vervulling: ‘Geen van zijn beenderen zal verbrijzeld worden.’ Een andere schrifttekst zegt: ‘Zij zullen hun blik richten op hem die ze hebben doorstoken.’

 

EVANGELIE: Johannes 19:38-42

 

Post hæc autem rogavit Pilatum Joseph ab Arimathæa (eo quod esset discipulus Jesu, occultus autem propter metum Judæorum), ut tolleret corpus Jesu. Et permisit Pilatus. Venit ergo, et tulit corpus Jesu.

Na deze gebeurtenissen vroeg Josef uit Arimatea – die uit vrees voor de Joden in het geheim een leerling van Jezus was – aan Pilatus of hij het lichaam van Jezus mocht meenemen. Pilatus gaf toestemming en Josef nam het lichaam mee.

Venit autem et Nicodemus, qui venerat ad Ihesum nocte primum, ferens mixturam mirræ et aloes quasi libras centum. Acceperunt autem corpus Ihesu et ligaverunt eum linteis cum aromatibus, sicut mos Iudæis est sepelire.

Nikodemus, die destijds ’s nachts naar Jezus toe gegaan was, kwam ook; hij had een mengsel van mirre en aloë bij zich, wel honderd litra. Ze wikkelden Jezus’ lichaam met de balsem in linnen, zoals gebruikelijk is bij een Joodse begrafenis.

Erat autem in loco ubi crucifixus est hortus, et in horto monumentum novum, in quo nondum quisquam positus fuerat. Ibi ergo propter Parasceven Judaeorum, quia juxta erat monumentum, posuerunt Jesum.

Dicht bij de plaats waar Jezus gekruisigd was lag een olijfgaard, en daar was een nieuw graf, waarin nog nooit iemand begraven was. Omdat het voor de Joden voorbereidingsdag was en dat graf dichtbij was, legden ze Jezus daarin.

 

Wilma Pistorius (Zuid-Afrika, 1991) - Introduction

 

 Caligaverunt oculi mei

(Responsorium IX ad Matutinum, Feria VI in Parasceve)

 Caligaverunt oculi mei a fletu meo: quia elongatus est a me, qui consolabatur me:

Videte, omnes populi, si est dolor similis sicut dolor meus.

 V. O vos omnes, qui transitis per viam, attendite et videte si est dolor similis sicut dolor meus.

 

 

 

 Caligaverunt oculi mei

(Responsorium IX in de Metten van Goede Vrijdag)

 Mijn ogen zijn verblind door mijn geween: omdat wie mij troostte, ver van mij verwijderd is:

Zie, alle volkeren, of er een lijden is gelijk mijn lijden.

 V. O, gij allen die voorbijgaat,
      w
endt uw blik en ziet of er een lijden is gelijk mijn lijden.


 

 

Kieran Klaassen
(www.kieranklaassen.com)

Elizabeth A. Kelly
(www.elizabethakelly.com)

Danai Bletsa

Rens Tienstra
(www.renstienstra.nl)

Emil Tan Erten
(www.soundcloud.com/eterten)

Wilma Pistorius
(www.wilmapistorius.wordpress.com)




 

© Copyright Muziekinjeroen.nl | Made by: Web Revolutions | Sitemap